Leid ik in Amsterdam soms een saai leven? Kom ik te weinig onder de mensen? Weliswaar kende ik mensen die helaas aan kanker zijn doodgegaan, iemand zelfs aan een onschuldig griepje, maar moord? Nee, daaraan is niemand van mijn Nederlandse kennissen gestorven.
In ons piepkleine Calabrese dorpje is Nicolò al de derde dit jaar. De eerste had ik nooit ontmoet. De tweede groette ik wel met ‘ciao’ maar een praatje hadden we nooit gemaakt. Nicolò kende ik echt. Hij deed onze eerste verbouwing, samen met andere dorpsjongens. Hij was een harde werker maar wilde nooit doen wat ik vroeg. Nicolò zag het telkens anders. Op het laatst begon ik altijd maar met ‘wat vind jij?’ voor ik hem voorzichtig bracht waar ik hem wilde hebben.
In de lunchpauze was Nicolò ook altijd aan het woord. Hij had het veel over respect en over Che Guevara, wiens poster boven zijn bed hing. Bij processies was hij steevast een van de sterke jongens die de loodzware heiligenbeelden door het dorp zeulden. Toen kwam de periode waarin Nicolò voor zichzelf begon, nog altijd in de bouw. Hij had arbeiders, zei hij, al hebben we ze nooit gezien. Wel reed hij in een auto die iets te groot was voor de straatjes van ons dorp. Daarmee kwam hij op de gekste uren langs ons huis, richting de bergen. Op zulke momenten beantwoordde hij mijn groet niet, waaruit ik concludeerde dat hij liever had dat ik hem niet had gezien.
Nog weer later hadden de carabinieri een hennepplantage in de bergen opgedoekt. Het werd ze nooit duidelijk van wie die was. Ooit, wist ik me ineens te herinneren, had Nicolò me verteld over een plek in de bergen die niemand kende en waar hij zich zo thuis voelde. Een keer zag ik hem met een Amerikaanse pick-uptruck in ons dorp. De auto stond een beetje ongelukkig geparkeerd en Nicolò zat verderop met iemand te praten. Ik toeterde om hem te groeten, lette even niet op en schaafde met mijn aftandse bak langs zijn blinkende pick-up. Nicolò kwam rustig aangelopen. Ik hoefde me geen zorgen te maken, zei hij. Hij kende een uitbutsbedrijfje en hij zou me laten weten wat de schade was, een vriendenprijsje uiteraard. ‘Sono cose che capitano’ – ‘Dat zijn dingen die gebeuren’ – stelde hij me gerust.
Een maand later vroeg hij me met een stalen gezicht om duizend euro. Ik bracht het hem nog dezelfde dag en zei: ‘Ik ben blij dat ik mag betalen. Fouten hebben hun prijs.’ Bij die laatste zin keek ik hem veelbetekenend aan. Hij sloeg zijn ogen neer. Ik kon tevreden zijn, maar voelde me toch als iemand die ineens aan The Godfather meedoet zonder het script te hebben gelezen. Toen een auto in onze straat middenin de nacht in de fik vloog, stond ik als eerste bij het raam. Gelukkig, het was die van de buren. Nicolò kwam de ochtend daarop de eigenaar ervan verzekeren dat hij op zijn hulp kon rekenen, mocht hij daar behoefte aan hebben. Nee, dat had mijn buurman niet en ook niet aan mijn omschrijving van de schaduwen met een jerrycan die ik door het raam had gezien. De laatste tijd was Nicolò weer vriendelijk als vanouds.
Hij groette bescheiden en was een stuk olijfboomgaard aan het redden dat van de familie was en dat er al jaren verwaarloosd bij lag. Voor ik naar Nederland vertrok, stapte ik uit mijn auto om de olijfboomgaard te bewonderen. We spraken af dat ik ook zijn huis in het dorp zou komen bekijken dat hij verbouwd had. ‘Een beetje in jouw stijl,’ zei hij nog en lachte trouwhartig, als de leerling naar de meester. Sinds kort was hij getrouwd en het eerste kind was op komst. Een paar uur voor ik op Schiphol het vliegtuig terug naar Calabrië zou nemen, belde mijn vrouw: ‘Nicolò is vanochtend doodgeschoten,’ zei ze. ‘Ze wachtten hem op in een nauw steegje, waar hij altijd stapvoets reed om geen krassen op te lopen. Ze waren op een zware motor, allebei met een bivakmuts.’ Het eerste wat ik deed na mijn aankomst was naar Nicolò’s broer gaan om te condoleren. ‘Sono cose che capitano,’ zei zijn broer.

Volg ons!