Steenhouwers met een hart van goud

In het centrum van Toscane domineert een groot hart van steen het domein van Vittorio en Angelo Milani. Vittorio en Angelo zijn vader en zoon, en steenhouwers. Steenhouwers met een hart van goud.

Dat grote hart op het terrein van vader en zoon Milani zegt eigenlijk alles. Voor zover je zou denken dat steenhouwers onbehouwen zijn,  ontdek je hier het tegenovergestelde. Hier ben je namelijk aan een bijzonder adres; de oude travertijngroeven van Serre di Rapolano, niet ver van Siena.

Deze groeven zijn voor het merendeel uitgeput. Iets dat ook opgaat voor de oude Vittorio Milani. Hij is nu in de tachtig en al vele jaren in gevecht. Met stukken steen. Maar dat niet alleen. Vittorio werd geboren in 1921. Zijn opleiding: het leven. Op zijn dertiende begint hij te werken in de kalkovens. Het is zware arbeid dat een jaar later nog zwaarder en gevaarlijker wordt als hij in dienst treedt van een steenhouwerij. Dit is steenhouwen zoals het ooit bedoeld is: met een houweel in kolossale wanden van travertijn, een hard soort kalksteen dat gebruikt is voor de bouw van onder meer het Colosseum en (iets bescheidener) het Nationaal Monument op de Dam.

Maar dan komt de oorlog. Italië wil Afrika veroveren en stuurt de jonge soldaat Vittorio naar de woestijn. Hij dient steevast in de vuurlinie. De nederlaag brengt hem dan via Casablanca en New York naar New Mexico. Daar heeft men een krijgsgevangenenkamp ingericht onder de naam Fort Bliss. Het eten is hier goed en de dwangarbeid in de katoenplantages stelt, vergeleken met het steenhouwen thuis, weinig voor. Ze slapen in een soort arena voor stierenvechters, wat beter is dan de zandkuilen van Afrika.

In het kamp schittert Vittorio intussen. Niet alleen voetballen kan hij als de beste, maar ook als artiest ontplooit hij zich. Als de avond valt, zingt en speelt hij als ster van het kampvariété. Na de bevrijding volgt een traumatische zeereis van San Francisco terug naar huis. In iets meer dan een maand op zee verliest hij twintig kilo en als hij in Napels aan wal stapt, is hij maar één ding rijker: de ziekte van Basedow.

Terug in Serre di Rapolano blijkt hij te zwak om nog steen te kunnen houwen. Veertien dagen werken betekent dat hij veertien dagen vrij moet hebben om te herstellen. Vittorio besluit voor zichzelf te beginnen. In het vervolg verwerkt hij steen en houwt hij geen grote brokken meer zoals vroeger. Zo raakt hij steeds meer in de ban van de rijkdom van travertijn. Hij gaat houden van de prachtige patronen die de natuur in het steen bevroren heeft.

Maar het is een haat-liefdeverhouding. Want hoe mooi travertijn ook kan zijn, het gevaar ligt altijd op de loer. Je rug, je handen. Steen is bovendien zowel mooi als verraderlijk en travertijn is als de zee: het ene moment verleidelijk, het volgende moment meedogenloos. En zoals de generaal een veldslag wint waarvoor soldaten in de eerste linie hun leven geven, zo verdient de handel veel meer aan steen dan wie daarvoor zijn handen of zijn rug waagt. Maar Vittorio gebruikt zijn handen steeds vaker voor het fijne werk. Voor het polijsten of het maken van kleine sculpturen.

De vorige avond is Vittorio nog naar een optreden geweest van zijn zoon. Angelo is een natuurtalent. Kan geen noot lezen, maar zingt de sterren van de hemel. Talloze Toscaanse dorpen komen op zomeravonden tot leven door deze zingende steenhouwer. De gitaar die hij erbij houdt, is voor de show want de toetsenist tovert hele orkesten uit zijn keyboard. Zingen, Angelo kan moeilijk zonder.

Maar steenhouwen overdag en ’s avonds op de planken is wel slopend. Sinds kort heeft hij in de steenhouwerij een compagnon. Alleen ging het niet meer. Ze maken vooral dingen voor in de tuin; fonteinen, tafels en wat een mens verder nog zou willen hebben. Links en rechts staan verbluffende voorbeelden van de effecten die je met travertijn kunt bereiken.

Ergens tussenin staat iets verrassends. Een plaat van tavertijn met het logo van Volkswagen. Het is een kopie van de plaat die Vittorio ooit stuurde naar de baas van het bekende autoconcern. Waarom? Omdat de steenhouwer zo ontroerd was door de kwaliteit van een vrachtwagentje dat hij ooit kocht, dat hij op die manier zijn waardering wilde laten blijken, terwijl je zou kunnen denken dat daarvoor betaling van de koopprijs wel voldoende was. Vanuit Wolfsburg arriveerde daarop een gouden aansteker, met inscriptie. Leuk natuurlijk maar het haalt het niet bij dat andere van goud, de harten van deze mannen. De steenmannen.

© Dit verhaal is afkomstig uit het boek Cacciucco van Joost Overhoff (1955). Overhoff schreef tijdens zijn rechtenstudie o.a. voor Het Parool. Daarnaast schreef hij de boeken De Smaak van Italië, ontkurk de wijn! en Il Menu – woordenboek voor de Italiaanse keuken. In 2010 verscheen Cacciucco, een mozaïek van Italië. Dit laatste boek lijkt op soep. Althans, het lijkt op cacciucco. Spreek uit: ‘katsjoekko’. Het is een zuppa di pesce, een feestelijke Italiaanse vissoep die eruitziet als een culinair mozaïek. Er zit van alles in.

Ook Italië zelf heeft veel weg van een mozaïek. Rijkgeschakeerd, van alles wat, heel verschillend en toch één. Net als vissoep bevat dit boek veel kleine stukjes. Stukjes Italië. Het culinaire vormt daarbij de rode draad, maar ookverder biedt het veel wetenswaardigheden. Steden, streken, anekdotes en muziek, het komt allemaal aan bod. Van bij de grens met Zwitserland tot voor de kust van Afrika. Daarbij is een glas wijn overigens van harte aanbevolen. Cacciucco – veel vis, weinig soep – is zonder wijn zelfs ondenkbaar. Rode wijn, zo bezweren de appassionati. Cacciucco is verrassend.

Cacciucco
Joost Overhoff
ISBN 9789045017273
€ 19,95
uitgeverij Atlas

Bestel Cacciucco hier bij bol.com

Terug naar Toscane