San Pietro: eiland vlak bij Sardinië in de Middellandse Zee
Terug naar overzicht
San Pietro

San Pietro: vergeten parel van de zee

Vraag de gemiddelde Nederlander hoeveel eilanden Italië telt en je kan er donder op zeggen dat hij of zij niet verder komt dan Sicilië, Sardinië, Elba, Lampedusa en misschien een paar van de Eolische Eilanden. Bijna niemand weet dat in de wateren die de laars omsluiten tientallen grotere en kleinere eilanden liggen. Voor De Smaak van Italië reden genoeg om van het bekende Sardinië over te steken naar het onbekende San Pietro.

Fotografie: Matteo Carassale

San Pietro ligt aan de zuidwestkust van Sardinië, vlak bij Portoscuso. Ondanks het feit dat het maar een klein eilandje is, neemt het een schakelpositie in in de Middellandse Zee. Het begon allemaal met een groep kolonisten uit Ligurië die in 1738 hun toevlucht zochten op dit eiland. Na ruim twee eeuwen te hebben gewoond op het Tunesische eiland Tabarka, werden zij daar door de moslims verjaagd. Waarom ze zich vervolgens vestigden op San Pietro en niet op Sardinië? Dat heeft alles te maken met de wil van Carlo Emanuele III, koning van Sardinië. Hij stimuleerde kolonisten om zich te vestigen waar het maar kon. Zo namen deze Liguriërs bezit van San Pietro dat toen nog nagenoeg onbewoond was. De naam van de hoofdstad van San Pietro herinnert aan deze koning: Carloforte. Het multiculturele verleden van San Pietro is tot op heden nog overal te zien en te voelen. Zo spreken nog veel mensen Tabarkaans, een archaïsch Genuees dialect waarin het Noord-Afrikaans doorklinkt. In Carloforte merk je hoe de Ligurische architectuur zich met een Tunesische sfeer omhult. Het stratenpatroon lijkt hier bovendien erg op dat van Genua. Op het kleine San Pietro heerst een enorme bedrijvigheid. Kleermakers en kappers zijn zeven dagen per week aan het werk in hun kleine winkeltjes, altijd met de deuren open. Vrouwen verkopen gouden sieraden en voorwerpen vanuit de deuropening van hun huis terwijl de heren zitten te keuvelen in de barretjes. Op het centrale plein staan karakteristieke ronde banken. Hier lopen de mensen voortdurend heen en weer terwijl spelende kinderen overal onbezorgd tussendoor laveren. ’s Ochtends ruik je in Carloforte de versgebakken focaccia en rond etenstijd lijkt uit alle huizen de geur van pesto en couscous te komen. Op San Pietro is de zee de basis van alles. Het schenkt de inwoners tonnen vis, maar geeft ook de ruimte aan ambachtelijk gemaakte boten, en laat hen – zeker in vroeger tijden toen de mijnen van het tegenoverliggende Sulcis nog open waren – handeldrijven met de wereld om hen heen.

San Pietro

Traditionele tonijnvangst

Eén van de belangrijkste industrieën op San Pietro is de tonijnvisserij. Ieder jaar in mei en juni komen nieuwsgierigen van over de hele wereld naar het eiland om te helpen met het verwerken van de vis. Dit is tevens het moment waarop de tonijn vanuit het koude water van de Atlantische Oceaan de Middellandse Zee in zwemt om te paren. De vissen hebben dan al duizenden kilometers afgelegd en zich alleen gevoed met sardientjes. Daardoor is hun vlees erg lekker geworden. Op San Pietro wordt nog op traditionele wijze op tonijn gevist. De vissers gebruiken hiervoor een tonnara. Dit is een ingenieus nettensysteem dat de Arabieren en Spanjaarden vroeger ook al gebruikten. In Museo Civico in Carloforte is van alles te leren over de geschiedenis van de tonijnvangst.

Girotonno: de strijd om het beste tonijngerecht

Giorgio Parenti, de gelauwerde chef-kok van restaurant Dau Bobba in Carloforte, raakt niet uitgepraat over tonijn: “Ik noem tonijn ‘het varken van de zee’. Want net als van het varken, hoef je van de tonijn niets weg te gooien!” De talloze gerechten en specialiteiten die de plaatselijke restaurants serveren, bewijzen dat hij lang de enige niet is die er zo over denkt. Zo worden de buik en de zijmoot gezien als de beste delen van de tonijn: ingelegd in olie zijn ze heerlijk, maar ook gegrild zijn deze delen niet te versmaden. De bovenkant en het rugstuk vlak bij de staart worden rauw gebruikt of kort verwarmd, bijvoorbeeld door te pocheren. Dan is er nog mosciame, gedroogde tonijnfilet. Dat krijg je als hele dunne plakjes op je bord met een scheutje extra vergine olijfolie. De kuit dient voor bottarga, tonijnvlees dat op een complexe ambachtelijke wijze wordt gedroogd en gezouten. Deze bottarga smaakt heerlijk over pasta. Wat overblijft zijn de mindere delen. Die eten de eilandbewoners thuis op. De pens zetten ze op tafel als u belu. Van andere restjes maken ze buzzonaglia, een tamelijk vloeibare ragout met aardappelen. Een ander populair gerecht is tonno alla Carlofortina: tonijn gebakken met laurier en witte wijn. Welke smakelijke gerechten je met tonijn allemaal kunt maken, krijg je nergens beter te zijn dan tijdens de Girotonno. Dit evenement heeft ieder jaar tussen eind mei en begin juni in Carloforte plaats. Koks uit vier landen strijden dan om de bereiding van het beste tonijngerecht.

Stad van scheepsbouwers op San Pietro

Al generaties lang bouwen en restaureren de mannen uit Carloforte sloepen en pleziervaartuigen. Nog altijd geven vaders de kneepjes van het vak door aan hun zonen. Dat houdt de traditie in leven. Ook de veertigjarige Angelo Biggio heeft het vak van zijn vader geleerd, en die weer van zijn vader. Hij is de vierde generatie scheepsbouwers van zijn familie. We gaan op bezoek in zijn werkplaats, even buiten de bebouwde kom van Carloforte. Angelo, met een bandana om zijn hoofd geknoopt, laat zien waar hij momenteel aan werkt: een sloep van bijna acht meter lang. Als de sloep eenmaal klaar is, gaat hij getooid met traditioneel latijnzeil de zee op. Tussen ferme klappen van zijn bijl legt Angelo uit: “Voor de bouw van de kiel en het dek gebruiken we hard, zeer resistent hout, zoals mahonie- of eikenhout. Voor de andere onderdelen van het skelet gebruiken we hout van aleppopijnbomen, waar San Pietro en Sardinië vol mee staan. Voor het binnenen buitenwerk geven we echter de voorkeur aan grenenhout.” De technieken waarmee de mannen van Carloforte hun boten fabriceren zijn de afgelopen decennia nauwelijks San Pietroveranderd, evenals het oude gereedschap dat Angelo geërfd heeft van zijn opa. Het bouwen van een nieuwe boot duurt lang en kost veel energie. Het vraagt ook veel deskundigheid, bijvoorbeeld bij het uitkiezen van de materialen. Angelo doet het werk met een grenzeloze liefde en passie. Dat zie je terug in de details waarmee hij iedere boot uniek maakt.

De kust van Sulcis-Iglesiente: restanten van een donker verleden

De kust van Sulcis-Iglesiente heeft prachtige stranden met mooi wit zand die worden afgewisseld door imponerende kalkrotsen. Tussen  de diepblauwe zee en de kliffen van Sulcis vind je meer dan honderd mijnen. Ze zijn inmiddels stille getuigen van de tijd dat hier nog volop lood, zink, tin, koper, ijzer en steenkool gewonnen werd. Tegenwoordig maak je hier adembenemende wandeltochten als de Miniere nel Blu. Deze route van tien kilometer begint bij Masua. We zien hier talloze overblijfselen die herinneren aan het verleden: een groep mijnwerkershuisjes, ingeklemd tussen de zee en de kliffen, de gele, verroeste wagentjes, het verlaten spoor van de Calligaris-mijnen en de werktuigen in het Museo delle Macchine da Miniera. Verderop biedt het pad een prachtig uitzicht op een enorme klif die Pan di Zucchero (suikerbrood) genoemd wordt. Aan de voet van deze klif meren talloze boten vol toeristen aan die de ingang van de mijn van Porto Flavia willen zien, een architectonisch juweeltje uit 1924. De ingang is net een kasteeltje dat tegen de rots is gebouwd. Door de twee galerijen werd het gewonnen materiaal naar de boten getransporteerd die precies onder Porto Flavia lagen te wachten om naar Carloforte af te varen. Bij Porto Flavia stijgt het pad snel en voert het langs grotten met fossielen en uitgestrekte weiden. De laatste stop is de schitterende baai van Cala Domestica, ooit de haven waar zink geladen werd. Nog altijd houdt een Spaanse toren uit 1600 de wacht over deze baai. Het brede strand en de pittoreske inham maakt het tot een van de meest romantische plekjes van Sulcis.

Gerieflijke stranden en grillige rotsen

Wij zijn aan boord van een zeer oude boot, een bilancello, die de naam Ruggero II draagt. Deze boot is gebouwd in 1893 door de scheepsbouwers van Carloforte en is als enige overgebleven van de honderden boten die, volgeladen met mineralen uit de mijnen, heen en weer voeren tussen Sulcis en Carloforte. Al varend langs de kust van San Pietro zien we die telkens veranderen. Aan de zuidoostkust liggen stranden met fijn zand. Ze zijn gemakkelijk te bereiken en de eilandbewoners gaan hier graag een dagje naartoe. Gezinnen met kleine kinderen trekken naar Giunco, net iets ten zuiden van de hoofdstad terwijl jongeren vooral naar Bobba gaan. Joelend duiken ze van de rotsen en gaan ze op jacht naar garnalen en krabben. In de buurt kun je via een kronkelig pad dat naar beneden loopt tussen de mediterrane maquis en cactusvijgen, naar een groots natuurmonument, de Colonne: twee imponerende klippen van rood trachiet.

San Pietro

Verrassende flora en fauna in het binnenland

Terwijl hoge rotsen het eiland aan de kust omsluiten, schiet in het binnenland weelderig groen omhoog. Vanuit Carloforte zijn we binnen enkele minuten in een andere wereld: een microkosmos waar de natuur de overhand heeft. Hier ruikt het naar mirte, jeneverstruik en rozemarijn. We rijden over smalle landweggetjes die over de heuvels slingeren. Hier en daar staat een witgekalkt pachthuis. We komen langs verlaten poelen en zoutvelden, het rijk van reigers en flamingo’s. We zetten koers richting het noorden van het eiland, naar de stenen fungo. Door atmosferische elementen heeft deze imponerende rotsformatie de vorm van een paddenstoel (fungo) gekregen. De poel van Cala Vinagra met het aangrenzende naaldbos in het westen van het eiland is een beschermd gebied. De poel ligt net achter de vuurtoren van Capo Sandalo. Het hele gebied telt 236 hectaren, inclusief de kliffen van Cala Vinagra. Iedere zomer nestelen zich hier zo’n honderd paren Eleonora’s valken, een bijzonder zeldzame soort uit Madagascar. Ze brengen het anders zo droge en gekwelde gebied weer tot leven.

Dit artikel verscheen eerder in De Smaak van Italië.