Loading

Genua: deze 5 palazzi aan de Via Garibaldi wil je zien

Als je van kunst houdt dan staat Florence waarschijnlijk bovenaan je lijstje. Maar wist je dat Genua de thuishaven is van renaissance palazzi die tjokvol hangen met beroemde, eeuwenoude schilderijen? Schilder Peter Paul Rubens verloor er in de zeventiende eeuw zijn hart. Wij volgden zijn spoor. 

In de Via Garibaldi, die als een vertakte ader door het oude stadshart van Genua loopt, komen twee werelden samen: een schimmige wereld met steegjes waarover schrijver Ilja Leonard Pfeijffer veelvuldig schrijft in La Superba, een roman over Genua: ‘Geen plek valt terug te vinden. Maar omdat dat voor iedereen geldt, dwaalt iedereen de hele dag door dezelfde steegjes. Sommigen dwalen hier al een mensenleven lang.’ En een wereld van steenrijke families die hier kleurrijke palazzi met dromerige tuinen, balzalen en joekels van marmeren dakterrassen uit de grond lieten stampen. 

200 nieuwe stadspaleizen
Die zestiende-eeuwse wereld is absoluut een bezoek waard voor iedereen die houdt van kunst, grandeur en historie. Al sinds de eerste helft van de zestiende eeuw werd Genua flink uitgebreid: in totaal kwamen er bijna 200 nieuwe stadspaleizen bij. Een geografische uitbreiding die doorging tot in de zeventiende eeuw.

Via Garibaldi en Via Balbi
De kernpunten van de nieuwe stad lagen aan de Via Garibaldi en de Via Balbi – ook wel de Strade Nuove (nieuwe straten) genoemd. Al die nieuwe palazzi werden betrokken door families met klinkende namens als Brignole-Sale, Grimaldi Spinola en Doria die hun sporen in de internationale zeehandel of het bankwezen hadden verdiend en van gekkigheid niet meer wisten wat ze met hun nieuw verworven kapitaal aan moesten. Een innemend paleis met een kunstverzameling met werken van grote meesters als Caravaggio en Tintoretto én de nodige portretten van familieleden, was een populaire investering en, nog belangrijker: een symbool van macht. De Vlaamse schilder Peter Paul Rubens speelde daar begin 1600 handig op in.

Republiek van edelen
In 1604 kwam hij voor het eerst vanuit Madrid aan in Genua. Tijdens dit bezoek maakte bij een majestueus portret van markiezin Veronica Spinola Doria. En daar bleef het niet bij. De ene na de andere welvarende Genuees poseerde voor hem; Rubens was behalve kunstenaar ook diplomaat en kende het Europese handelsmilieu erg goed, hij wist de luxe van het Genuese leven perfect weer te geven. Hij raakte er zelfs zo mee vereenzelvigd dat hij, eenmaal terug in zijn thuishaven Antwerpen, Palazzi antichi e moderni di Genova uitgaf. Een boek met doorsneden en plattegronden van de palazzi en villa’s uit de stad. In zijn voorwoord schreef hij: ‘Dit is een republiek van edelen, dat zie je terug in de mooie en comfortabele gebouwen.’ 

Felbegeerde lijst
Behalve van de schoonheid was Rubens ook onder de indruk van het systeem dat onderdeel uitmaakte van de palazzi. Alle eigenaren van de paleizen streden om een plekje op de rollo, een felbegeerde lijst waarop alleen de allermooiste, beste en grootste paleizen van Genua terechtkwamen. Alleen de absolute top mocht dienen als verblijfplaats voor allerlei notabelen, zoals pausen, koningen en prinsessen. En kunstenaars zoals Rubens, dus. Met zijn modelboek hoopte hij een bijdrage te leveren aan de herleving van de klassieke architectuur in de Zuidelijke Nederlanden. Ook hoopte hij de Genuese gastvrijheid, die hem persoonlijk zo goed bevallen was, onder Noord-Europeanen te introduceren. Zelf nam hij alvast een voorschot daarop: in 1610 betrok hij in Antwerpen zijn klassieke huis, inclusief flamboyante tuin en binnenplaats naar Italiaans voorbeeld.  

Unesco Werelderfgoed
Met zijn grote bewondering voor de rolli was Rubens zijn tijd ver vooruit. In 2006 kwamen de palazzi op de Unesco Werelderfgoedlijst terecht. Niet alleen vanwege de grandeur, mooie foyers, tuinen en kunstverzamelingen maar ook omdat dit het eerste Europese voorbeeld was van publiek verblijf in private woningbouw – een soort superexclusieve airbnb, zou je kunnen zeggen. De meeste palazzi zijn nu banken of kantoren – ze beperken zich overigens allang niet meer tot de Via Garibaldi of Via Balbi; door het hele stadscentrum vind je renaissance palazzi – en sommige kunnen nog altijd worden bezocht. Palazzo Rosso, Palazzo Bianco en Palazzo Doria Tursi bijvoorbeeld zijn samen met 1 toegangskaartje te bezoeken. Ook Palazzo Reale en Palazzo Spinola zijn het hele jaar door geopend voor publiek.

Palazzo Rosso
In Palazzo Rosso zijn behalve imponerende kamers met frescoplafonds ook tientallen werken van kunstenaars als Dürer, Veronese, Guercino, Strozzi, il Grechetto en Van Dyck te vinden. Het iets verderop gelegen Palazzo Bianco heeft een prachtige tuin van die uitzicht biedt op de Via Garibaldi. Met een beetje geluk speelt de straatmuzikant die er regelmatig staat een stuk op zijn viool en voelt deze plek nog meer als een decor uit een Fellini-film. In het aangrenzende Palazzo Doria Tursi zit Penitent Magdalene, een geknielde Maria van de wereldberoemde Italiaanse beeldhouwer Antonio Canova en staat een viool van Paganini, de Genuese violist die er vanwege zijn virtuositeit van werd beticht duivelsbloed te hebben.

Tip!
In mei en oktober openen vrijwel alle palazzi hun loodzware deuren. Dat event heet Rolli Days. Kijk op visitgenova.it voor de data van 2020.

Eten, drinken en slapen 

Trattoria Ugo
Voor een goed bord pasta pesto (je bent in Ligurië of niet) schuif je aan bij Trattoria Ugo.

Wijnbar Calice
Het mooiste uitzicht over Genua heb je vanaf wijnbar Calice. De aperitivo is hier steengoed! Dat weten meer mensen, dus hou rekening met wachttijd.

Hotel Bristol Palace
Wie graag overnacht in grandeur zet koers naar Hotel Bristol Palace. Hier hangt zo’n klassieke en smaakvolle sfeer dat het niemand zou verbazen als uit de lift een zeventiende-eeuwse aristocraat zou stappen. Het trappenhuis is zo mooi dat je spontaan gaat schreiden en het ontbijt is koninklijk! hotelbristolpalace.it 

LEES OOK:

Wil je dagelijks op de hoogte blijven van de leukste vakantietips en laatste nieuwtjes uit Italië? Volg De Smaak van Italië op Facebook!

Tekst en fotografie: Inger van der Ree